TENEDOS-THANET   |   THRINAKIA-CORNWALL   |   OGUGIA-AZOREN   |   SCHERIA-LANZAROTE   |   ITHAKA-CADIZ,JEREZ


ATLANTISCH OGUGIA EN KALUPSO                    
(S.MIGUEL, AZOREN)

Odysseus' tweede reis, deel IV




- deel I:   Tenedos-Thanet en de Seirenes;
- deel II:  Skulla, Charubdis -St. Michael's Mount
- deel III: Thrinakia-Cornwall
- deel IV: Ogygia- Azores, Kalupso;
- deel V:   Scheria-Lanzarote;
- deel VI: Ithaka-Cádiz, Jérez

De dichter begint in boek 1 midden in een episode van de Odyssee waarin Odysseus bij Kalypso verblijft, bij wie hij na de schipbreuk van zijn enig overgebleven schip was aangespoeld. In boek 5 wordt zijn zevenjarige verblijf bij haar uitgebreider beschreven.

Waar ligt het eiland Ogugia van de mysterieuze nimf Kalupso?

Laten we beginnen de gegevens van Homeros op een rij te zetten:

....'n eiland, door water omringd, waar de navel ligt van de zee. Het
eiland staat vol met bomen; een godin bewoont er haar kamers,
dochter van Atlas die alle kennis bezit, die de dieptes
weet van elke zee en persoonlijk de zuilen beheert, die
lange, die aarde en hemel gescheiden houden. Diens dochter
houdt deze arme man tot zijn grote verdriet bij zich vast en
wil hem voortdurend met lieve, tactvolle woorden verleiden
Ithaka maar te vergeten. (1,50 ev)

- Dit fragment geeft enkele aanwijzingen: het is een eiland met water (eig.: stromen) rondom, 'waar de navel ligt van de zee'. Verder blijkt Kalypso een dochter van Atlas te zijn, de god die het hemelgewelf beheert (echei), traditioneel met het Atlasgebergte is verbonden en de naamgever is van de Atlantische Oceaan. Atlas is kennelijk van belang hier, want Homeros wijdt meerdere regels aan hem. Hij heet oloófron. Dit woord wordt meestal vertaald met "die veel onheil beraamt", hetgeen volstrekt onzinnig is, aangezien met dezelfde term Minos en Aietes worden gekwalificeerd, van wie de eerste de zoon van Zeus en de wijze opperrechter in de Hades is, terwijl Aietes, zoon van Helios, de priesterkoning van het gebied rond Kolchis is, de hoeder van het Gulden Vlies, het symbool van de kennis van de astronomie. De juiste etymologie is: (h)olofron- "hij die alles in zijn brein kent". Dat wordt nog eens uitgelegd door de volgende frase: 'hij kent de dieptes van elke zee'. Kennis van de zee, haar dieptes en stromingen en havens was van levensbelang voor de zeevaart van de Atlanten. Een atlas heet ook niet voor niets zo! Verder zegt Homeros dat hij de lange stutten (palen, zuilen) heeft (echei) die hemel en aarde gescheiden houden. Atlas bezit of beheert deze stutpalen. We hebben hier dus nog niet het beeld van een Atlas die de hemelbol op zijn schouders draagt.1
- De grot van Kalupso wordt uitgebreid beschreven in boek 5, waarin Hermes Kalupso gaat bezoeken om haar te bevelen Odysseus te laten gaan:

Toen hij echter het eiland dat ver weg in zee lag bereikt had,
liet hij het donkere zeewater achter zich, stapte aan wal en
ging op weg totdat hij de grote spelonk had bereikt waar
zij, de schoonlokkige nimf, haar huis had: daar trof hij haar aan. Er
was een groot vuur in de haard en het rook tot ver op het land naar
makkelijk splijtbare, brandende blokken ceder en thuja.
Zij zat binnen met prachtige stem te zingen, terwijl ze
heen en weer met een gouden spoel door het weefgetouw ging en
weefde. Rondom de grot lag een weelderig bos zoete peper,
vijg, paradijsappels ook met hun heerlijke geur, waarin wijdge-
vleugelde vogels aan 't nestelen waren, uilen en valken,
aalscholvers ook met hun lange tong die op zee in de weer zijn.
Pal rond de holle grot was een wijnstok in weelderige groei
omhoog geklommen, met talrijke druiventrossen eraan. Uit
dicht bij elkaar gelegen bronnen, vier op een rij, kwam
kalkwit water omhoog dat allerlei kanten op stroomde.
Zachte weiden bloeiden alom met violen en eppe. (5,55)

- De bomen die beschreven worden in r.64 worden traditioneel vertaald met "populier, els en cipres". Dit is onjuist, want het epitheton télethoösa betekent "weelderig groen, altijd groen of met rijke vruchten". De eerste twee zijn niet weelderig noch altijd groen. De kuparissos wordt omschreven als "geurig", hetgeen een cipres niet is. Cailleux determineert de eerste boom, klathra genaamd, als een citrusboom, omdat van dat hout "klaters" (=ratels en castagnetten) werden gemaakt. Ik denk echter dat de Clethra arborea (sweet pepper tree) is bedoeld, die altijd groen is met peperachtige vruchten. Met de tweede, de (w)aigeiros, wordt waarschijnlijk de vijg bedoeld, in het Spaans Higuera of Figuera. De derde naam kuparissos is waarschijnlijk een vergrieksing van kupar of kopher (Hebr.), de citroenceder of paradijsappel die heerlijk ruikt en eetbare vruchten heeft. Er staan dus weelderige vruchtbomen om de grot en tevens wijnstokken, zodat Odysseus die kon nuttigen. Hermes staat er met verbazing naar te kijken, iets wat hij bij een gewone els of populier niet zou doen; bovendien houden els en populier van natte grond en cipres van droge grond hetgeen niet met elkaar te combineren valt.
Andere bomen zijn ceder en thuja (r.60).
- Wat de fauna betreft worden hier met nadruk enkele bijzondere vogels genoemd: uilen, valken, aalscholvers.
- Verder spreekt de dichter in r.70 van vier bronnen met "wit" water. Water wordt altijd als "zwart" aangeduid (drink- en rivierwater bijvoorbeeld), zodat het witte water ongetwijfeld sterk kalkhoudend zal zijn. Zo sloegen Odysseus' makkers in de wantijdoorgang bij Thanet (Tenedos) de zee "wit", een aanduiding voor de krijtrotsen van Albion, zie Inleiding Tenedos.
- In r.234 krijgt Odysseus de beschikking over een bronzen bijl, 'een gladgeslepen (stenen?) vuistbijl' en een boorapparaat, benodigd voor de scheepsbouw. Daarvoor gebruikt Odysseus ook de in  r.238 genoemde houtopslag van 'lang al verdorde en gedroogde boomstammen'.
Het timmerhout dat hier genoemd wordt bestaat uit: - klethra, nu niet de zoetepeperboom zoals rond de grot, maar de clethra alnifolia ('met elzenblad') waarmee volgens de woordenboeken de els wordt aangeduid. Elzenhout is zeer geschikt voor het onderwaterschip; - aigeiros: nu niet de vijg, waarvan wel grafkisten werden gemaakt, maar de esp, die uitstekend dekhout oplevert; - elaté: den of pijnboom: voor balken, masten en ra's.
- Kalupso weeft en is in de weer met een gouden spoel door het weefgetouw. Hermes krijgt in r.93 ambrozijn en rode nektar voorgeschoteld, zoals Kalupso ook nuttigt (199). Beide gegevens komen elders in de Odyssee ook voor: Kirke staat aan het weefgetouw te zingen en in Ithaka waar Odysseus aankomt, bevindt zich eveneens een grot met weefbomen. Nektar en ambrozijn, oftewel lijkenteer en amber, zijn twee stoffen die een grote rol in de Odyssee spelen. Beide gegevens zijn met de religie van de wedergeboorte verbonden, zie hieronder.
- afstand van het vasteland: onbeschrijflijk grote zoutplas (100), gevaarlijk en vreselijk grote plas (175), ver weg in zee (55) en geen stad en mensen in de buurt. Odysseus is door stroming (golven, deining) en wind (r.109) naar Ogygia gedreven. Er zijn geen schepen, roeiriemen en mannen op het eiland (141).

Ligging
Het eiland moet gezien de bovengenoemde gegevens dus ergens centraal op de Atlantische Oceaan liggen, ver weg van alles in een onbeschrijflijk grote plas water. Een van de eilanden van de Azoren komt het meest in aanmerking, omdat deze eilandengroep midden tussen het oude en het nieuwe land ligt en dus als "navel" kan worden gezien (r.50). De dochters van Atlas, zeven in totaal, zijn als Pleiaden aan het firmament opgenomen, een belangrijk sterrenbeeld voor de navigatie op de oceanen.2
Vanaf de Griekse oudheid heeft men zich al afgevraagd waar Ogugia zou moeten liggen. Van groot belang daarbij is een opmerking van Plutarchus dat Ogugia in de Atlantische Oceaan zou liggen, op vijf dagen varen van Britannië richting westen en op ca. 900 km van het enorme vasteland dat de oceaan omvat. Vanwege het belang van deze tekst geef ik een uitgebreid citaat:3
(Sulla vertelt een verhaal dat een vreemdeling uit Carthago hem ooit had verteld en treedt dus als een soort "acteur" op van andermans verhaal)
'Ik mag dan wel gewoon de acteur zijn, maar ik zal eerst vertellen - tenminste als er geen bezwaren zijn - hoe de schepper ervan nota bene met een citaat van Homeros begon: 'Ogugia is een eiland dat verweg in zee is gelegen' op vijf dagen varen van Brittannië in westelijke richting.4 Er liggen nog drie andere eilanden even ver ervan af en op gelijke afstand van elkaar in de richting van de zonsondergang in de zomer. Op één daarvan zou volgens de autochtone bevolking Kronos door Zeus zijn opgesloten en de mythologische Briareus gevestigd zijn, die de wacht houdt over die eilanden en de zee daar, die ze de Kronos-zee noemen. Het enorme vasteland waardoor de grote oceaan omzoomd wordt ligt minder ver van deze eilanden, maar ca. 900 km van Ogugia, als je met roeischepen op weg gaat.5

Er staat duidelijk dat Ogugia, het eiland van Kalypso op vijf dagen varen ten westen van Brittannië ligt. Het enorme vasteland kan niet anders dan Amerika zijn, waarvan het dichtstbijzijnde punt Newfoundland is. Meer naar het Noordwesten liggen nog drie grote eilanden volgens Plutarchus' bron in een modderige zee, met veel losse landdeeltjes, die ook vaak dichtvriest. Het is duidelijk dat de spreker geen duidelijk beeld heeft van de Noordelijke IJszee met zijn ijsbergen en ijsschotsen, maar wel dat hij doelt op IJsland, Groenland en andere eilanden in het noorden. Kennelijk bevonden zich daar vanaf de oudste tijden al Gallo-Germaanse of Skythische nederzettingen, aangeduid met "autochtone bevolking". De werkelijke afstand tussen de Azoren en Newfoundland is echter ruim 2000 km, tussen Brittannië en S.Miguel 2000 km, waarvoor men zeven dagen nodig heeft.

De etymologieën van Ogugia zijn divers maar bevestigen de identificatie Ogugia-Azoren. Wilkens ziet er Okeanos-gaia in = Oceaanland, eiland in de Oceaan, hetgeen weinigzeggend is. Cailleux heeft meer fantasie. Açore betekent in het Iberisch 'valk, havik (hawk)', die door Homeros ook speciaal onder de vogels van Ogugia wordt genoemd (zie boven). Ogugia komt dus van het Gallo-Germaanse (H)owk-aeghe = haviksoog= havikseiland, waarmee de identificatie als Azoren-eiland bevestigd zou zijn. Op Sicilië woonden de Asorii, die afgebeeld worden met een havik of valk (zie plaat), hetgeen Cailleux' etymologie van de Azoren zou bevestigen.6




Er is echter ook een andere etymologie denkbaar van sore, zie hieronder. Andere pogingen tot een verklaring zijn nietszeggend.
De tweede door Homeros genoemde vogel op Ogugia, de aalscholver (eigenlijk: dwergaalscholver), wordt in het Grieks aangeduid met koronai einaliai, dat letterlijk betekent "kraaien in zee". Wel, een van de Azoren is het eiland Corvo dat "kraai" betekent. Zo geeft de dichter met de twee vogels het gebied aan waar Odysseus zich bevindt. Corvo is door Cailleux geïdentificeerd als het eiland van Ailolos, zie p.260 H.O.

Relatieve positie
De positie van Ogugia ten opzichte van de buitenwereld wordt door Homeros op een aantal plaatsen aangegeven.
- 5,49 : Homeros vertelt hier welke route Hermes neemt van Olumpos naar Ogugia. Hermes - hier aangeduid met de "Argosdoder", de god die Argos doodde, de bewaker van Io met zijn honderd ogen - gaat van Olumpos richting Piëria en daalt dan vanuit de lucht naar zeeniveau af waar hij als een aalscholver over de golven naar het verre eiland Ogugia scheert. De Atlantische auteurs zijn het niet met elkaar eens over de precieze route. Volgens Cailleux, die de beste argumenten aanvoert, is de bovengenoemde route van Hermes aldus: hij vertrekt vanuit Stonehenge (Olumpos) over Piëria, het land van de "peers" in Zuid-Engeland, waar ook Arthur zetelde temidden van zijn "pairs", een streek die vol staat met druïdentempels en steentijdmonumenten. Vanuit Stonehenge gaat hij zo in één rechte lijn naar San Miguel, Azoren (Ogugia). Voor Piëria en de routes zie Inleiding Hermes en Olumpos.
-5,229 waar over Kalupso's zilverwitte gewaad wordt gesproken. Het lange witte gewaad van Kalypso (doodskleed) geeft volgens het consequente schema van Wilkens (p. 224,318) een richting aan die hij moet varen om bij zijn volgende bestemming, de Faiaken, aan te komen. Zij vertegenwoordigt namelijk het sterrenbeeld Maagd, hetgeen een zuidoostelijke koers aangeeft. Na zijn aankomst daar is het Nausikaä die de rol van Maagd overneemt en dezelfde koers nogmaals benadrukt. Op grond hiervan moet Ogugia dus noordwestelijk van Scheria liggen, dat geïdentificeerd is als Lanzarote.
Deze positie ten opzichte van Scheria (Lanzarote) wordt door dit fragment bevestigd:

 Hij hield de Pleiaden in 't oog en de laat vertrekkende Ossen-
 drijver en Grote Beer, die ook wel Wagen genoemd wordt,
 daar ter plekke ronddraait en Orion goed in het oog houdt;
 hij is de enige die geen bad in Okeanos neemt.
 Kalupso, de stralende godheid, had hem namelijk medegedeeld die
 ster aan zijn linkerzijde te houden tijdens zijn zeereis.
 Zeventien dagen lang bevoer hij de zee. Op dag achttien
 doemden contouren op van donkere bergen die hoorden
 bij het Faiakische land, op een punt dat het dichtst in zijn buurt was. (5,272 ev)

Zoals in de Inleiding Scheria is vermeld, moet Odysseus vanaf het eiland van Kalypso, de Grote Beer of Wagen links houden, dat wil zeggen een oostelijke koers varen. Dit betekent dat Ogugia ten westen of noordwesten van Scheria moet liggen en wel op een afstand van 17 dagen varen. De afstand Lanzarote - S.Miguel is ca. 1600 km, hetgeen een gemiddelde snelheid van 4 km per uur oplevert, niet erg snel voor een normaal schip maar wel denkbaar voor een log vlot.
-Verder noem ik 12,447 ev, waarin vermeld wordt dat Odysseus na zijn schipbreuk en de redding bij Charubdis (Thrinakia) door de vijgenboom negen dagen op zee drijft alvorens bij Kalypso aan te spoelen.

Daarvandaan dreef ik negen dagen lang voort; in de tiende
nacht brachten goden mij naar 't eiland Ogugia, daar waar Kalupso
woont met haar fraaie vlechten, deskundige godheid met zeer veel gezag. (12,447-450)

De afstand van Thrinakia (Cornwall) naar Ogugia (S. Miguel, Azoren) is ca. 2100 km, hetgeen neerkomt op een gemiddelde snelheid van 5 kn. Hij wordt, op zijn kielbalk en mast gezeten, 'door goden geleid' (448), hetgeen in de homerische terminologie betekent dat hij door stroom en wind wordt meegevoerd, maar vanwege het getal negen ook dat hij door Nehalennia wordt geholpen. Odysseus staat kennelijk onder de bescherming van Ennia (=negen), zoals hij al eerder, toen hij van Schouwen naar de Hades voer, geleid werd door een goddelijke kracht, omdat hij gewoon kon blijven zitten zonder iets te doen (10,507). Nu was deze hulp van Nehalennia eigenlijk in 12,38 al door Kirke aangekondigd: 'De god zal 't je zelf ook helpen onthouden', een zin waarmee de commentatoren nauwelijks raad weten of gewoon maar overslaan (Stanford). Homeros heeft er echter beslist een bedoeling mee gehad. Welke godheid is bedoeld? Wat zal die hem helpen onthouden? Nehalennia zal hem als zijn beschermster de opdrachten van Kirke helpen herinneren, zoals zij hem later ook in de gedaante van Ino (=Ennia) als schipbreukeling zal helpen7
De richting die Odysseus moet varen om van Cornwall naar Ogugia te varen is zuidwest, hetgeen in het systeem van Wilkens wordt aangeduid met twee sterrenbeelden  Stier (=WZW) en Tweelingen (ZZW). Deze richting is door Homeros op twee manieren aangegeven. Ten eerste geeft het verhaal van de runderen van Helios op Thrinakia (Cornwall) de richting Stier aan en ten tweede vormt Kalupso met Kirke als het ware een tweeling, waardoor de koersaanduiding Tweelingenis gegeven. Wilkens (p.302) wijst er namelijk op dat de beschrijving van Kalupso als "deskundige godheid met zeer veel gezag" precies dezelfde is als waarmee Homeros Kirke beschrijft.  Het lijkt dus te gaan om tweelingzusters, hetgeen ook door de functies van beide nimfen-goden wordt aangegeven, zoals we zullen zien.

Andere gegevens
Als Ogugia het Azoren-eiland S.Miguel is, dan zullen ook alle andere gegevens van Homeros daar moeten worden gevonden, zoals de grot van Kalupso met de diverse bomen en het witte bronwater, de houtopslag, de bronzen en stenen gereedschappen, het zeildoek en de afwezigheid van mensen.

De grot
In het noordoosten van San Miguel bevindt zich een grote, brede grot, waar in het verleden stèlai zijn gevonden met Fenicische inscripties.8 De grotopening is 3,5 m hoog en even breed, de twee gevonden zuilen waren ca. 4 m hoog en 1,50 m breed. Er stonden twee grote slangen op en de volgende inscripties: op beide stenen bovenaan MUTSAL; verder op de ene SARAHAL en op de andere TALBIZ. Deze woorden zijn te herleiden tot Muths Hol (Muth is de Fenicische doodsgod) = Doodsgrot, Sor-hol = hagedissengrot (saurus -hagedis) en Teel-biss = wedergeboorteslang, en wijzen op een functie in de wedergeboortereligie, zoals bij Kirke is beschreven en waarin Kalupso ook een belangrijke rol speelt, zoals hieronder wordt verklaard. Het gebruikte schrift geeft aan dat er betrekkingen bestonden tussen de Azoren en de Feniciërs. Een professor en drie medewerkers die de grot in zijn gegaan om hem te bestuderen keerden nooit meer terug, evenmin als een groep slaven die hen moesten gaan zoeken. Sindsdien hebben ze de grot dichtgemetseld. In Cailleux' tijd was het er nog een puinhoop.

De omgeving van de grot
In Val de Furnas (ca. 10-15 km van de grot) borrelen tientallen bronnen op met allerlei chemische samenstellingen en kleuren, sommige stomend heet, andere koud, die alle kanten op stromen. Dit wonderbaarlijke fenomeen is te danken aan de sterke vulkanische activiteiten en de dunne bovenlaag van de aarde. Het is dus niet verwonderlijk dat Hermes als een toerist bewonderend naar al die prachtige bronnen, bomen, planten en vogels kijkt, die inderdaad allemaal op de Azoren voorkomen. (5,73 ev). Wilkens (p.306) ziet in deze vier bronnen echter geen reële bronnen maar eerder symbolen van jeugd en vernieuwing en tevens van onderricht. Het getal vier is het symbool van de universaliteit: het zijn de bronnen van de wijsheid. Zijn opvatting hangt nauw samen met de functie van Kalupso in het verhaal.

Het wezen van Kalupso
Wie is deze Kalypso? Haar naam hangt samen met het woord kalupto -bedekken. Ze is een numfé, een nimf, een woord dat samenhangt met het Fenicische num slapen, en zij vertoeft in gewelfde grotten. Zij is dus een "bedekte grotslaapster", een mummie, een schim. Kennelijk gaf de verre ligging van de Azoren de Gallo-Germaanse dichters de inspiratie om sprookjesachtige verhalen te bedenken, waardoor deze grotslaapster is opgewaardeerd tot een betoverende fee met een mooie vlecht, een godin die Odysseus met beloften van onsterfelijkheid voor zich tracht te winnen. Hij weigert de eeuwige jeugd met haar te delen omdat hij naar zijn vrouw Penelope terugverlangt, maar waarom blijft hij er dan zeven jaar?  
De drie belangrijkste Atlantische auteurs zijn het erover eens dat het Kalypso-verhaal naast het verhalende element en de geografische routebeschrijving een belangrijk deel uitmaakt van het inwijdingsproces van de noviet Odysseus. Dit vijfde boek behandelt de ultieme beproeving die Odysseus moet doorstaan vóór zijn definitieve inwijding.
De gegevens die we uit de teksten halen zijn de volgende. Hij zit op een eenzaam, onbewoond eiland in de Oceaan "gevangen" bij een nimf, een mummie die gewikkeld is in een lijkwade en gebalsemd is met amber en/of teer. Deze balseming werd sinds onheuglijke tijden bij belangrijke doden toegepast, zodat we moeten concluderen dat Kalupso een belangrijke priesteres is geweest die na haar dood in een dodengrot op een van de Eilanden van de Gelukzaligen is bijgezet. Zowel Kalupso als Hermes moeten we zien als "zalige goden", dode koningen, wetgevers of priesters, waarvan de mummies ter conservering telkens weer met ambrozijn en nektar, amber en teer, moeten worden "gevoed".
Wilkens (p.306) stelt ook dat Kalupso net als Kirke met de onderwereld verbonden is, maar ziet daarin een aanwijzing dat Odysseus zich net als bij Kirke in een leerfase bevindt: 'hij bevindt zich nog steeds in de druidenschool'. Dit is aannemelijk omdat de nimf Kalypso en de godin Kirke beiden aangeduid worden als 'deskundige godheid met zeer veel gezag' (12,447). Net als Kirke zit Kalupso aan het weefgetouw, dat een symbolische voorstelling is voor het leerproces en de weg naar kennis, en waarop tevens de nieuwe kleren voor de nieuw-ingewijde worden geweven.
Er zijn dus twee interpretaties van Kalupso mogelijk die gedeeltelijk door elkaar lopen: zij is een dode, een mummie in de grot waarin Odysseus terechtkomt, en alles speelt zich verder in het hoofd van Odysseus af, of zij is gelijk aan Kirke, de leermeesteres in de religie en kennis van de onderwereld en de wedergeboorte, die hem een zevenjarige opleiding geeft, waardoor de reis langs de Seirenen, Skulla en Charubdis en Thrinakia meer een 'beschrijving is van een inwijdingservaring, een íntellectuele en spirituele reis' (Wilkens p. 303).
In de mythe treedt zij in elk geval op als een goddelijke verschijning die Odysseus de eeuwigheid belooft, hetgeen volgens Cailleux (PA 242 ev) in de realiteit wil zeggen dat zij als grotslaapster hem voor altijd in haar graf als haar echtgenoot wil meenemen om met hem te wachten op de wedergeboorte. De wedergeboorte of mutatie werd vaak uitgebeeld door een salamander, hagedis of slang, die van huid wisselt: een saurus. Dit zijn exact de namen die op de twee stèlai in de grot voorkwamen, zie boven. Het Vlaamse sore betekent 'uitgedroogd', hetgeen mummies zijn. De naam Azoren is dan ook te herleiden tot A-Soren met toegevoegde  -a-, zoals in het Spaans vaak voorkomt, en zou dan oorspronkelijk betekenen: 'eilanden van de mummies of mutanten', terwijl men er later een  afleiding van havik of valk (açore) in zag.
Odysseus is daar moederziel alleen, volledig op zichzelf aangewezen. Er zijn geen maten die hem naar huis kunnen begeleiden, geen mensen, geen stad (r.16). Als er ondanks de afwezigheid van mensen mummies in een grot liggen betekent dat, dat het eiland door zeevaarders werd aangedaan om er belangrijke doden in grotten te leggen. Bovendien kapten zij er bomen en legden die in opslag, ongetwijfeld om tijdens de Atlantische oversteek schepen te kalefateren (r.238). 'De lang al verdorde en gedroogde boomstammen' wijzen op een menselijke activiteit. Er was echter geen vaste kolonie of nederzetting aanwezig. Zeven jaar lang zit hij daar op rotsen te treuren en te huilen, geconfronteerd als hij wordt met zijn eenzaamheid en zijn onderbewuste, en beleeft er zijn midlife crisis
(Wilkens p.306), totdat de goden besluiten hem te helpen, en wel met een bronzen bijl, een stenen vuistbijl en een boorapparaat waarmee hij een vlot kan gaan bouwen. Hermes, symbool voor zijn eigen geestkracht die op zijn depressies volgt, geeft hem dat plan in.

Jade vuistbijl (steentijd), afkomstig uit de Alpen, gevonden in Andalusië

Hoe komt hij ineens aan die gereedschappen in dit verlaten oord? Het is mogelijk dat er bij de houtopslagplaats voor het kalefateren van passerende schepen ook bronzen en/of stenen werktuigen lagen die schippers konden gebruiken. Of hij vond in grafkisten naast de mummies liggende bronzen bijgiften, bedoeld voor de wederopstanding zodat de herborenen zelf een schip zouden kunnen bouwen. De houtopslag ligt op de "hoek van het eiland", dat wil zeggen, gezien vanuit de plaats waar de grot ligt in het noordoosten, de andere kust en moet dan een deel van de kust zijn waar schepen aan konden leggen. Dit is Ponte Delgado, de enige haven.
Hoe komt hij aan zeilen (r.253)? Het vlot heeft als tuigage: 1 mast, 1 ra, zeilen (mv!). Odysseus heeft dus een razeil en een voorzeil, zoals in Inleiding Scheepvaart al bij normale schepen is aangetoond. Waarvan maakt hij zeilen op dit onbewoonde eiland? Kalypso komt met doeken aanzetten, farea. De eerste betekenis van faros is "lijkwade". Het lijkt er dus op dat Odysseus de lijkwades van de mummies afhaalt, geconserveerd als ze waren met amber en teer, en er zeildoek van maakt!
Hij vertrekt daarop zonder enige geleide van mens of god (r.32: Kalypso mag hem niet helpen en kan dat in feite als mummie ook niet; hij moet alles zelf verzinnen!), en als hij dan wegens een woeste orkaan aan de golven is overgeleverd en volledig naakt aanspoelt bij de Faiaken, heeft hij zijn laatste beproeving, de verdrinkingsdood, doorstaan en is hij een ingewijde geworden die door de Faiaken als een god wordt onthaald (r.36).9

Azoren al in de oudheid bekend
Voor wie ondanks alle aangevoerde argumenten nog twijfelt aan de vroege menselijke activiteiten op de Azoren citeer ik een fragment uit Plutarchus' biografie van de Spaanse vrijheidsstrijder Sertorius, waaruit blijkt dat de verre eilanden in elk geval al in 100 v.C bekend waren, en bespreek ik enkele archeologische ontdekkingen.

Plutarchus Sertorius c8: '.......Sertorius voer door de straat van Gibraltar, waarna hij aan stuurboord op de verre kust van Spanje aan land ging, iets ten noorden van de monding van de Baetis, die uitloopt in de Atlantische Oceaan en zijn naam aan het Iberische gebied daaromheen heeft gegeven.10 Daar ontmoette hij enkele zeelieden die net terug waren van de Atlantische eilanden: dat zijn twee eilanden die door een heel nauwe straat van elkaar gescheiden zijn, zo'n 1800 km uit de kust van Afrika liggen en de Eilanden van de Gelukzaligen genoemd worden. Omdat het er niet vaak en matig regent en er meestal zachte, vochtige winden waaien, leveren de eilanden niet alleen een vruchtbaar land op dat goed te beploegen en te beplanten is maar produceren ze ook wilde vruchten die door hun hoeveelheid en voedingswaarde voldoende zijn om de ontspannen levende bevolking zonder inspanning of moeite te voeden. Dankzij dat klimaat en de gematigde seizoenswisselingen is de lucht er heilzaam. De noorden- en oostenwinden, die vanaf het land bij ons de Oceaan op waaien en in een onmetelijke ruimte terechtkomen raken door de lange afstand verstrooid en verliezen hun kracht, terwijl de zeewinden, die vanuit west of noordwest eroverheen waaien zo nu en dan milde regenbuien vanuit zee meevoeren maar meestal met vochtige briesjes verkoeling brengen en het land voortdurend voeden, zodat zelfs bij de barbaren een sterk geloof is doorgedrongen dat daar de Elysische Velden zijn en de woonplaats van de gelukzalige goden ligt, die Homeros heeft bezongen.11 (9.) Toen Sertorius dat gehoord had, bekroop hem een bijzonder sterk verlangen om zich op die eilanden te vestigen en in alle rust te leven, bevrijd van de dictatuur en de onophoudelijke oorlogen.'

Dit fragment doelt ongetwijfeld op de Azoren, hoewel die uit veel meer dan twee eilanden bestaan, maar twee ervan zijn door een nauwe straat van elkaar gescheiden: Horta en Fayal, en liggen op ca. 1800 km uit de kust van Spanje. De afstand Spanje-S.Miguel (Azoren) is ca. 1400 km. De klimaatbeschrijving van Plutarchus doet sterk denken aan Homeros' beschrijving van de door Hermes bewonderde schoonheid van het eiland van Kalupso.12 Dat de eilanden gezien werden als de Elusische Velden of als de Eilanden van Gelukzalige Goden bevestigd de bovengenoemde beschrijving van het wezen van Kalupso als een "zalige god", dat wil zeggen als een gemummificeerde belangrijke dode, of als een leermeesteres in de religie van de wedergeboorte.
Behalve op S.Miguel zijn ook op Terceira een zestal prehistorische, uitgehouwen grotten ontdekt, die waarschijnlijk als een heiligdom dienden. Er bevinden zich kanaaltjes voor wateraanvoer, waterbekkens en waterafvoer, terwijl de openingen gericht zijn naar de westelijke eilanden Pico en S.Jorge, waar de zon ondergaat tijdens de lente- en herfsteveningen. Water voor doop- en reinigingsrituelen was een onmisbaar element in de Fenicische heiligdommen waar de godin Astarte werd vereerd, de maangodin die voor de reiniging en wedergeboorte zorg droeg, hetgeen ook de vorm van de grot verklaart: ze zijn gemaakt in de vorm van een baarmoeder. Deze heiligdommen zijn een surrogaat voor de doop in getijderivieren als de Rijn, de Somme, de Seine, de Thames etc. Het water dat de vloed symboliseert wordt van boven in kanaaltjes gegoten, stroomt over het hoofd en het lichaam van de ingewijde of noviet en stroomt als een reinigende ebstroom de grot uit.

Symbool voor Tanit

De vorm van de grotten is een trapezium, een symbool voor de Fenicische godin Tanit/Astarte, die ook op de Canarische Eilanden werd vereerd. Tevens is er een rotsblok van vulkaansteen gevonden, dat kennelijk diende als voetstuk voor een verdwenen godenbeeld, met een inscriptie in een leesbaar alfabet maar in een onbekende Indo-Europese taal. Op Pico zijn steenhopen gevonden van soms 10 m hoog, die doen denken aan een necropolis. Zie voor recente studies p.782.13

Conclusies
Ogugia is op zeer goede gronden te identificeren als S.Miguel, Azoren. Het ligt als een navel midden in de Atlantische Oceaan, aangeduid door Atlas die nadrukkelijk wordt genoemd als de vader van Kalupso. De verschillende etymologieën van Ogugia wijzen op de Azoren. De relatieve ligging ten opzichte van Thrinakia en Scheria (resp. Cornwall en Lanzarote), de afstanden en koersrichtingen bevestigen deze identificatie. Ook zijn de andere gegevens over de grot, flora en fauna ermee in overeenstemming.
Over het wezen van Kalupso zijn twee interpretaties mogelijk die gedeeltelijk door elkaar lopen: zij is een dode, een mummie in de grot waarin Odysseus terechtkomt, en alles speelt zich verder in het hoofd van Odysseus af, of zij is gelijk aan Kirke, de leermeesteres in de religie en kennis van de onderwereld en de wedergeboorte, die hem een zevenjarige opleiding geeft. Menselijk activiteit op het eiland is af te leiden uit de houtopslag en de aanwezigheid van gereedschappen en wordt bevestigd door het Sertorius-fragment van Plutarchus en door recente publicaties over andere prehistorische grotten op andere eilanden van de Azoren.

Noten:
1.Zie verder Inleiding Olumpos.
2.Zie kaart p.35 H.O.
3.Plutarchus Moralia IX: Het mannetje op de maan, Leeuwarden 2011, c.26, geciteerd op p.684 H.O.
4.Od, 7, 244.
5. Het bestaan van dit eiland van Kronos wordt door Plutarchus bevestigd in Moralia V: Het verval van de orakels c.18, waar de spreker Demetrios beweert dat er her en der bij Engeland een hoop eilanden in zee liggen, waarvan er sommige namen hadden van goden en helden en die bewoond werden door "heilige mannen", ongetwijfeld druïden.  Zie tevens de Inleiding Skulla van dit boek, de inleiding op Dictys Cretensis Dagboek van de Trojaanse Oorlog p.31-33 en W.Hamilton The Myth in Plutarch's De facie in Class. Quart. 28 (1934) die alle bronnen over de Hyperboreeërs bespreekt.
6.bron: A.F.Gori Inscr. antiq. Graec. et Rom. Etruriae, Florence 1763, III,t.6.
7.H.O. p.865.
8. Bron: A.Thévet Cosmographie universelle, 1575, XXIII,7 en PA 249 ev.; H.O. p.728.
9.Zie Inleiding Thema's Odyssee, Hermes, Scheria, Religie bij Homeros.
10.De Baetis is de Guadalquivir en het land eromheen heet sinds de indeling van Augustus Baetica.
11. Od. 4,563-68: de plaatsing van het land van de doden in de Oceaan (de Hellezee) stamt van de Kelten. Zie I.J. Wilkens Waar eens Troje lag, Leeuwarden 2012 en Wagenvoort (zie bibliografie Sertorius).
12. Madeira, waarmee Konrad ze identificeert, ligt veel dichterbij (ca. 1000 km) en ligt zo'n 50 km van het buureiland Porto Santo. De Canarische Eilanden komen niet overeen met de klimaatbeschrijving en liggen vlakbij de kust van Afrika.
13. https://www.academia.edu/8088001 (download).

Afkortingen voor de boeken van  Th. Cailleux:
OC  Origine celtique de la civilisation de tous les peuples
PH  Poésies d' Homère
PA   Pays Atlantiques, decrit par Homère
H.O. = Homeros Odyssee, De zwerftochten van Odysseus opde Atlantische Oceaan, ed. G.W.J.Janssen. Leeuwarden 2018
Citaten van Homeros: Romeinse cijfers = Ilias, bv  XX,345; Arabische cijfers = Odyssey, bv. 13,34.

Odysseus' Eerste reis
- deel 1: Troje- Gog Magog Hills, Engeland
- deel 2: Ismaros en Kikonen - Bretagne
- deel 3: Lotophagen - Senegal
- deel 4: Cyclopen - Fogo, Kameroen, Madeira
- deel 5: Aiolia en Aiolos - Corvo (Azoren)
-deel 6: Laestrygonen - Cuba, La Havana
- deel 7: Aiaia en Kirke - Schouwen, Zeeland
- deel 8: Hades-Walcheren, Zeeland

TENEDOS-THANET   |   THRINAKIA-CORNWALL   |   OGUGIA-AZOREN   |   SCHERIA-LANZAROTE   |   ITHAKA-CADIZ,JEREZ